Babybust

In het begin van de pandemie hoorden we de rooskleurige voorspelling dat we de solidariteit en liefde zouden terugvinden, met een babyboom tot gevolg. Want wat doen koppels anders als ze de hele dag samen opgehokt zitten?

Blijkbaar niet dus. Echtscheidingen zijn aan het boomen, en de geboortes crashen. Vele koppels hebben kinderen uitgesteld, en bij sommigen zal daar afstel van komen. Waarom toch deze babybust?

Het standaardverhaal, meestal verteld door economen, is eentje van materiële en medische onzekerheid. Voor de 20e eeuw waren kinderen een goede investering: ze waren nuttige werkkrachten en dienden ook als een soort pensioensparen. Vandaag, in onze hoogtechnologische maatschappij is kinderarbeid overbodig, maar kinderen slorpen wel geld, tijd, en energie op als nooit tevoren. Dus, aldus deze redenering, eens we onzeker zijn of we voldoende middelen hebben, dan stellen we kinderen uit. 

Deze redenering leek een lange tijd het dalende vruchtbaarheidscijfer goed te verklaren. In 1900 was de Belgische vruchtbaarheidscijfer ongeveer 3,5, en dit daalde tot 1982, wanneer het huidige niveau van 1,6 werd bereikt. De oorzaak was  een historische vooruitgang op meerdere fronten: breed gedeelde economische welvaart, een spectaculaire daling in kinder- en moedersterfte, breed toegankelijke contraceptie, de welvaartstaat, en de opmars van vrouwenrechten. Al deze ontwikkelingen betekende dat we vrij konden kiezen voor kinderen, en dat betekende in de praktijk: minder kinderen, met meer investering per kind. (Ter illustratie van de toename in investering: in 1965 besteedde de gemiddelde vader 2,5 uur per week aan kinderzorg, en tegen 2010 was dat verdrievoudigd.)

Echter, het verhaal begint steeds meer te rammelen. Nog voor de pandemie uitbrak, in 2019, rapporteerde statistiek Vlaanderen dat de gemiddelde Vlaamse vrouw 2,2 kinderen wil. Met andere woorden, 0,6 meer dan ze eigenlijk krijgt. Dit verschil kan klein of abstract klinken, maar achter dit simpele cijfer zit veel menselijke leed en ellende: relatiebreuken, depressie, worstelingen met infertiliteit. 

Het doet ook de fundamentele vraag rijzen: hoe komt het toch dat we, in ons hoog-technologische maatschappij met sterk uitgebouwde welvaartstaat, dat ene simpele basiswens niet kunnen waarmaken?

In een boeiende recente studie van drie Amerikaanse antropologen werd gesteld dat, om de schaal van de fertiliteitsafname te verklaren, we de steeds groeiende statuscompetitie moeten meenemen. Sociale status verwijst naar de hoeveelheid respect dat we aan iemand geven. En status is, zéér ruwweg genomen, een combinatie van inkomen en onderwijsniveau. Dus, volgens deze antropologen, als we steeds meer studeren en carrière maken voor dat eerste kindje, dan gaat dat niet alleen om de eigen economische onzekerheid te verminderen, maar ook om de eigen statuspositie te veroveren. Zo werd de Vlaamse vrouw in 1998 voor het eerst moeder op 27,3 jarige leeftijd; in 2017 was dat verschoven naar 29,1. Waarom? Volgens deze antropologen kan economische onzekerheid alleen het niet verklaren (zeker in een regio met een genereuze welvaartstaat zoals Vlaanderen). Het is een gevolg van een intensifiërende statuscompetitie.

Nu is de belangrijke vraag: zijn onze investering in status een vrije keuze? Het zou ten slotte mogelijk zijn dat we het echt willen om langer te studeren en te werken, bijvoorbeeld om onze talenten te ontplooien. Echter, de afstand tussen het echte aantal kinderen en de gewenste aantal kinderen suggereert de aanwezigheid van een element van dwang, zij het op een onbewust niveau. Als we aan de statuscompetitie meedoen dan is dat eerder uit een angst om de boot te missen en om niet meer mee te kunnen in ons steeds competitievere samenleving. 

Denk hierbij aan de opkomst van de uitdrukking “het maken”. Niet zo lang geleden werd een artiest die commercieel succes haalde gezien een “sell-out”; vandaag zouden we zeggen dat die “het heeft gemaakt”. In mijn eigen industrie, academia, had de titel “onafhankelijke geleerde” ooit de connotatie zoals “indie rock” of “onafhankelijke filmmaker” – nu is staat het voor iemand die gefaald heeft in de Darwiniaanse competitie.

Het lijkt aannemelijk te denken dat de lockdowns deze onzekerheid alleen maar heeft doen toenemen. De drang naar status is ten slotte een drang naar erkenning, of naar een soort zingeving waarbij ons leven en werk een erkende waarde krijgen. Maar vandaag zijn we ofwel gedwongen werkloos, ofwel leven we in een soort Matrix waarbij ons leven zich afspeelt in interactie met schermen. In beide gevallen is het minder duidelijk waarvoor en voor voor wie we leven en werken. En zonder duidelijkheid over het eigen leven is het moeilijk mentale ruimte te maken voor nieuw leven. 

Deze diagnose is enerzijds pessimistisch: het probleem gaat dieper dan een gebrek aan verlofstelsels, of materiële hulp voor jonge ouders, of zelfs een gebrek aan gendergelijkheid. Anderzijds is er ook reden tot optimisme, want al te vaak spelen onze bezorgdheden om status zich vooral af in ons hoofd. Hoewel het niet gemakkelijk is, staat het ons nog steeds vrij om niet mee te doen aan de statuscompetitie.